Gezondheidszorg

Kostenontwikkeling.

Berichten over de als maar stijgende kosten voor gezondheidszorg zijn alarmerend. In dit artikel wordt getracht hier enig inzicht in te geven.

Zoals in de bevolkingspiramide te zien is zal er de komende 20 jaar een grote toename zijn in ouderen boven de 65 jaar. Naar verwachting zullen deze ouderen meer zorg nodig hebben. Ons zorgverleningssysteem is geen spaarpot voor onszelf, maar een verzekering. Dit betekent dat de premie omhoog gaat als er meer mensen aanspraak gaan maken op deze verzekering.

Op dit moment is deze vergrijzing echter nog niet van toepassing (zie bevolkingspiramide). De leeftijdsverwachting is sinds 1972 echter wel met 7 jaar gestegen (bron:worldbank.org) tot 80,7 jaar in 2010. Dit heeft wel een premieverhogende werking tot gevolg. Toch zijn de zorgkosten in Nederland veel hoger dan in sommige andere landen waar men even oud wordt. In onderstaand overzicht zijn enkele landen opgenomen ter vergelijking. Op de horizontale as staat de levensverwachting, op de verticale as staat het percentage dat een inwoner van dat land uitgeeft aan gezondheidszorg als percentage van het bruto binnenlands product (Total health expenditure is the sum of public and private health expenditure. It covers the provision of health services (preventive and curative), family planning and nutrition activities, and emergency aid for health but excludes provision of water and sanitation. ). Het valt op dat de Verenigde Staten met haar volledig geprivatiseerde zorgsysteem het meeste per hoofd van bevolking uitgeeft. Juist kleinere westerse landen blijken het goed te doen. Het zou interessant zijn om te onderzoeken waarom dit zo is.

 

Internationale vergelijkingen van zorgkosten gebruiken een smallere definitie van zorg. Dan blijven met name het welzijnswerk maar ook delen van de langdurige zorg buiten beschouwing. Om landen onderling te vergelijken worden de zorgkosten vaak uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). In de meest recente cijfers van de OESO over 2009 heeft Nederland na de Verenigde Staten de hoogste zorgkosten ten opzichte van het bbp. In de VS lag dit aandeel op 17,4 procent en in ons land op 12 procent. Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Canada en Zwitserland zitten met hun aandeel overigens vlak achter Nederland. Het vergelijken van de zorgkosten van verschillende landen is lastig, vooral als het gaat om de vraag welk deel van de langdurige zorg meegeteld wordt in het OESO-begrip ‘health expenditures’. De data die beschikbaar zijn sluiten niet altijd aan bij de door de OESO gewenste afbakening. Nederland heeft geprobeerd de cijfers over 2009 beter te laten aansluiten bij die gewenste afbakening. Daardoor is het Nederlandse ‘health expenditures’ cijfer fors hoger uitgekomen. Ook voor de jaren vóór 2009 zal deze wijziging doorgevoerd worden, zodat er weer een consistente tijdreeks voor Nederland beschikbaar is.

Als we bovenstaande grafiek in absolute cijfers weergeven ontstaat een wat extremer beeld van de kostenverschillen.

In 2010 lagen de kosten van de zorg 66 procent hoger dan in 2001. Dat komt neer op een gemiddelde jaarlijkse toename van ongeveer 6 procent. Hierbij wordt een brede definitie van ‘zorg’ gehanteerd: naast gezondheidszorg en langdurige zorg vallen ook welzijnswerk en kinderopvang er onder. Sterke stijgers zijn de geestelijke gezondheidszorg met een toename van 91 procent, de ziekenhuiszorg (78 procent), de kinderopvang (129 procent), de gehandicaptenzorg (85 procent), de tandartsenzorg (74 procent) en de paramedische zorg (83 procent). Minder hard namen de kosten toe bij de arbo-dienstverlening (18 procent), geneesmiddelen (42 procent), hulpmiddelen (38 procent), huisartsenzorg (55 procent), de gemeentelijke gezondheidsdiensten (41 procent) en sociaal-cultureel werk (37 procent).

Het aantal werkenden in de zorg is sinds 2001 met ruim 30 procent gestegen.

De kosten van gezondheidszorg zijn toegenomen omdat zowel de prijzen toenamen als het volume van de zorg. Voor de periode 2001–2010 veroorzaakte de toename van het volume voor tweederde deel de kostengroei en de prijstoename eenderde deel. Grofweg groeide het zorgvolume in deze periode dus met ongeveer 4 procent per jaar. De bevolkingsgroei en vergrijzing veroorzaakten ongeveer 1 procent van de toename van het zorgvolume (Westert, van den Berg, Zwakhals, Heijink, de Jong en Verkleij, 2010). De volumegroei van 4 procent per jaar is hoger dan in de laatste decennia van de vorige eeuw. Tussen 1972 en 2001 groeide dit met gemiddeld 2,7 procent per jaar (CBS, 2011b). Het huidige kabinet probeert de groei van het zorgvolume te beperken. Zo heeft de Minister van VWS met de ziekenhuissector afgesproken dat de volumegroei in de periode 2012–2015 beperkt wordt tot 2,5 procent per jaar.

De invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 heeft onder andere als doel om door de invoering van marktwerking de groei van de kosten van zorg af te remmen en de kwaliteit van de geleverde zorg te verhogen. Om de gevolgen van invoering van marktwerking in de gezondheidszorg te monitoren, publiceert het CBS een aantal indicatoren over de financiële prestaties van zorginstellingen. Zo blijkt dat het aandeel zorginstellingen dat verlies lijdt is gedaald van 33 procent in 2007 tot 16 procent in 2009. Deze daling doet zich in alle deelsectoren van de zorg voor. Het aandeel overhead-functies in het personeelsbestand is stabiel in de jaren 2007–2009. Het gaat hier om personeel in algemene en administratieve functies, dat zich niet daadwerkelijk bezig houdt met de gezondheid van de patiënten of cliënten, maar wel met bijvoorbeeld administratie, automatisering, interne opleiding en organisatie. In 2009 lag dit aandeel op 14 procent. De gehandicaptenzorg en de ouderen- en thuiszorg hebben een aandeel overhead-functies van 9 procent, ziekenhuizen en GGZ-instellingen respectievelijk 20 en 17 procent. In de twee laatstgenoemde sectoren komt veel kortdurende zorg voor, wat leidt tot meer administratieve handelingen. (CBS)

Het zou ook interessant zijn om cijfers te laten zien over het percentage van het inkomen dat iemand betaalt voor zijn zorgpremie in de verschillende inkomensgroepen. Wie kan hier cijfermatige onderbouwing geven?

Marktwerking.

In 2006 is het rapport  “Marktwerking in de zorg één jaar later” verschenen. Hierin staat een eerste analyse van de effecten van de marktwerking in de zorg. http://esbonline.sdu.nl/esb/images/ESB_D4500s_20schut_tcm445-293672.pdf

Citaat uit het rapport “kwaliteit van zorg en marktwerking” van de NZa uit 2008 (http://www.nza.nl/104107/230942/Zorg_en_marktwerking.pdf):

“Openbare kwaliteitsinformatie heeft een sterke invloed op het gedrag van
consumenten en zorgaanbieders. De beschikbare informatie en de mate
waarin consumenten deze kunnen verwerken, bepaalt de
kwaliteitsgevoeligheid ten opzichte van de prijsgevoeligheid. In markten
waarin naast prijsinformatie ook kwaliteitsinformatie toegankelijk is, zal de
prijs-kwaliteitverhouding daardoor beter zijn. Empirisch blijkt het openbaar
maken van kwaliteitsinformatie te leiden tot een verschuiving van
patiënten naar aanbieders met een betere kwaliteit. Daarnaast blijken
relatief minder goede aanbieders zich in de praktijk ook sterk te verbeteren
na openbaarmaking van kwaliteitsinformatie. Beide effecten leiden tot een
verbetering van het gemiddelde kwaliteitsniveau.”

Levenstijl.

Het algemeen bekend veronderstelde verband tussen leefstijl en gezondheid blijkt ook uit de analyse van leefstijlgegevens gecombineerd met ziekenhuisopnames.(Ernstig) overgewicht vergroot de kans op ziekenhuisopname aanzienlijk, het sterkst bij vrouwen. Ook rokers en in mindere mate ex-rokers kennen een verhoogd risico. De kans op ziekenhuisopname voor hart- en vaatziekten is voor zware rokers zelfs 66 tot 68 procent groter dan de kans voor niet-rokers. Dat is een sterker effect dan bij de kans op ziekenhuisopname in het algemeen. Niet-drinkers hebben een grotere kans op ziekenhuisopname dan gematigde drinkers. Dit kan deels verklaard worden met de gemiddeld minder goede ervaren gezondheid van niet-drinkers. (CBS)

Bovenstaande figuur toont voor kanker en hart- en vaatziekten de sterfte waarbij is gecorrigeerd voor verschillen in de bevolkingsopbouw naar leeftijd en geslacht in de loop van de tijd. Hieruit blijkt dat de sterfte bij vrouwen aan zowel kanker als hart- en vaatziekten zich minder gunstig ontwikkelt dan bij mannen. Dit is deels toe te schrijven aan het feit dat vrouwen enkele decennia geleden meer zijn gaan roken. Het aantal rokers onder mannen was toen al aan het afnemen (Stivoro, 2011).

Het aantal ziekenhuisopnamen is in de periode 2001–2009 echter voor zowel kanker als hart- en vaatziekten gestegen (respectievelijk 67 en 35 procent). Het aantal patiënten (personen met een of meer opnames) steeg in beide gevallen over die periode met 20 tot 30 procent. Een deel van die stijging heeft te maken met vroegtijdige signalering, waardoor mensen eerder onder behandeling komen. Zo is het aantal personen dat in de gezondheidsenquête aangaf een hoge bloeddruk te hebben de laatste tien jaar bijna verdubbeld. In de betrekkelijk korte periode waarover gegevens beschikbaar zijn over medicijngebruik (2006–2009), nam het aantal personen dat medicijnen verstrekt kreeg tegen hart- en vaatziekten toe met 10 tot 15 procent. Het gaat dan bijvoorbeeld om cholesterolverlagers en bètablokkers. Het aandeel personen dat oncolytica (middelen tegen kanker) krijgt verstrekt steeg zelfs met 50 procent. Kanttekening bij deze uitkomsten is dat de geneesmiddelen die in het ziekenhuis worden verstrekt niet in de gebruikte registratie zijn opgenomen.

Het aantal patiënten dat in een jaar tijd minimaal eenmaal bij de huisarts komt vanwege diabetes nam in de periode 2002–2009 toe van 29 tot 45 per 10 duizend personen. Een van de factoren die het ontwikkelen van diabetes veroorzaken is het hebben van overgewicht. Uit de gezondheidsenquête, waarin naar lengte en gewicht wordt gevraagd, blijkt dat het aandeel volwassenen dat lijdt aan ernstig overgewicht tussen 2001 en 2010 is toegenomen van 9,3 naar 11,4 procent.

Gezondheid en zorg in cijfers, CBS 2011, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/935FE963-90F9-4439-8E1A-54A92D20CE78/0/2011c156pub.pdf

In het CBS rapport wordt vooral de nadruk gelegd op de schadelijkheid van roken. Overgewicht en verhoogde bloeddruk worden ook als gezondheidsrisico genoemd, maar de oorzaken daarvan blijven onbelicht. Het ligt echter voor de hand dat de consumptietoename van geraffineerd suiker, onverzadigde vetten en zout hier de veroorzakers van zijn. Sommige onderzoekers leggen verband tussen het overmatig consumeren van suiker met de toename van kanker en onverklaarbare vermoeidheidsziekten. Helaas heb ik voor Nederland nog geen specifieke gegevens gevonden over de consumptie van deze genotsmiddelen. In het boek “The encyclopedia of Nutrition and Good Health, door Robert A. Ronzio” worden echter wel getallen voor de Verenigde Staten genoemd. Zo is de gemiddelde dagelijkse vetconsumptie van 1990 tot 1995 per persoon toegenomen met 15%. De gemiddelde Amerikaan consumeert 2x zoveel vet als nodig is. Begin 1900 at een Americaan 2x zo veel graan als nu. Deze afname corroleert met de toename in de consumptie van suiker en vet. In het boek “The World Sugar Market, door Gudoshnikov” wordt een schatting gegeven van de suikerconsumptie per persoon in het Verenigd Koninkrijk (UK) van 2 kg in het begin van de 18e eeuw en 8 kg in 1800. In 1900 bedroeg de consumptie al 39 kg. Hieronder de getallen na de 2e wereldoorlog.

Ideeën.

De vraag is hoe we de kosten van de gezondheidszorg kunnen terugbrengen zonder albreuk te doen aan onze gezondheid. Hieronder volgt een lijst met ideeën (nieuwe ideeën zijn welkom, graag met korte onderbouwing):

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *